Het is de langste nacht en er is een volledige maansverduistering. Deze combinatie was voor het eerst sinds 1638. De volgendekeer is in 2094. De maan verdwijnt net achter de horizon en het is mistig, ik moet maar geloven dat het ook werkelijk gebeurt. En terwijl ik naar een onzichtbare maansverduistering kijk, denk aan slingerbewegingen, aan meteoor-inslagen. Ooit. Zo hard datsommigen zeggen dat de maan er uit ontstaan is. Of een andere die de dino's deed sterven, 65 miljoen jaar geleden. Of die deaarde 23 graden kantelde. Sindsdien hebben we winter, zomer, voorjaar en herfst.
Ik dacht opeens aan een middag in december met een afgerond jaartal. Ik fietste op weg naar huis, over de Platanenlaan in hetVondelpark. Vlak boven de huizen was soms een koude baan licht te zien, maar verder was de lucht grauw en nattig. HetVondelpark begon zijn jaarlijkse dieptepunt te naderen. Geen blad meer aan de boom, alles stond of lag in een plas en was zwartuitgeslagen van het water.Er was bijna niemand in het park, maar vlak voor me liep een hardloper. Hij droeg een blauwe trui, een donkerblauwe schaatsbroek en nieuwe, grote sportschoenen.
Ik fietste traag. Zo traag dat ik de hardloper nauwelijks inhaalde. Ik staarde naar de wat scheve manier waarop zijn voeten de grond raakten. Toen ik opkeek, zag ik een vrouw op de fiets ons naderen. Ik herkende haar. Ze woonde bij me om de hoek. Ze had haar ene hand aan het stuur, in de andere hield ze haar telefoontoestel. Ze praatte. Ik zou de hardloper nu toch bijna in gaan halen. Zijn adem was duidelijk te horen.
De naderende vrouw keek wat om zich heen en toen haar blik mijn kant op ging, begon ze te glimlachen, haar hand met het mobieltje kwam een beetje los van haar gezicht. Ik glimlachte ook en hief mijn hand op. Toen die half in de lucht hing riep ze: `Hoi, Maurits!'
Ze drukte haar toestelletje weer tegen het oor en hervatte het gesprek. De hardloper stak zijn hand op en riep een groet. Ik greep mijn stuur weer vast. Mijn blik ging nog even naar de buurvrouw, ze zag me niet, en toen naar de hardloper. Ik haalde hem in en ik zag dat het Prins Maurits was.
Achter me klonken de natte stappen van de nieuwe gympen. Toen zag ik een wandelend stel voor me. Onwillekeurig blijf mijn blik nu op hen hangen. De vrouw draaide zich opeens met een ruk om men siste: `Daar heb je hem!' Ik wist nu dat het niet over mij ging. Ik keek snel schuin achter me. Ik zag zijn kalende kruin, zijn frele rug. Ik wist meteen wie het was. Hij zat op een Motobecane racefiets, die nog uit de tijd van zijn roemrijkste jaren leek te komen.
`Echt?', zei de man.
Ik voelde de opwinding van de vrouw. Het was hem.
Ik sloeg af en passeerde het hek naar de Frederikstraat. Op de hoek Frederikstraat/Overtoom stond Sinterklaas met een paar Pieten. Ze wachtten, leek het. Ik passeerde hen en de Sint stak zijn hand naar me uit. Ik remde. Hij omklemde mijn hand met een warme, witte handschoen en hield die lang vast.
`Dag,' zei Sinterklaas, `hoe gaat het met u?'
`Goed.'
`U fietste hier vorig jaar toch ook langs?'
`Nu, dat weet ik niet. U herkent mij natuurlijk wel', zei ik, `maar ik u niet.'
`Dat is zo. U valt veel meer op dan ik', beaamde de Goedheiligman.
Er stopte een auto bij de Sint en zijn Pieten. Sint deed de mijter af, de staf werd door de chauffeur door het open portier raam gestoken. De auto draaide de Overtoom op. Ik keek die na een zwaaide nog even.
Ik liep ik laatste stukje naar mijn huis en moest denken aan komeetinslagen, die de aarde 23 graden deden kantelen, en die manen deden onstaan.
Ik begreep dat de stad een klein universum was. Sommigen mensen ontmoet je met de regelmaat van een maan, omdat je beide iedere dag eenzelfde gang maakt. Prins Maurits ontmoet je eens per seizoen. Sinterklaas ontmoet mij eens per jaar, en eens in de vier jaar zie je Johan Cruijff. Het is toeval met een bijna mathematische regelmaat. De regelmaat waarmee planeten langs elkaar heenscheren, in het licht hangen.
Ik woon niet meer in die buurt. Die buurvrouw is ook weg, weet ik. Johan Cruijff woont vooral in Spanje en Sinterklaas, ja die ook. Steeds verbuigen de banen even. Mensen ontmoeten elkaar niet door een wegopbreking, waardoor hun leven heel anders zou worden. Iemand gaat dood, een stoplicht staat op rood. Kleine veranderingen in het universum van de stad, maar we merken er niets van. Hoe lang duurt het eer al deze kleine gebeurtenissen de stad 23 graden gekanteld hebben? Dat vroeg ik me af toen ik het slot van de fiets dicht klikte.
Ik wist opeens dat deze vijf minuten groter waren dan mezelf, omdat het slechts eens in de driehonderd jaar voorkomt dat je op één dag die buurvrouw tegenkomt, prins Maurits, Johan Cruijff en Sinterklaas. Over driehonderd jaar zal De Sint er nog zijn, de geest van Johan Cruijff leeft voort in de Arena, er zal een Prins Maurits zijn, maar de buurvrouw en ik zijn dan weg. Zoals de dino's 65 miljoen jaren geleden verdwenen.
Achter me ging de bel van tram 1.