jabik de vries | webman, vinexfilosoof, nachtfotograaf, schrijver

over de dijk

laat-mystieke vertellingen

 

Weet u nog, die prachtige vrijdagmiddag, eind februari? Vanaf Schellingwoude was ik over de dijk naar Durgerdam gelopen. Links van me de stompe, dikke toren van Ransdorp. Rechts het IJmeer, ooit Zuiderzee. Aan het einde van het dorp werd de dijk hoger. Op de kop van de dijk stond een bankje. Ik ging even zitten en staarde over de natte velden. Het was nog iets te vroeg voor de weidevogels. Achter me zwaaiden langzaam de kranen van IJburg.

Er kwam een man op een brommer de dijk op. Hij stopte en zette zijn helm af, terwijl hij iets naar me riep dat ik niet verstond. Het was een oude man, die een strakke spijkerbroek droeg. Té strak, zou ik zeggen; hij was Harry Mulisch niet. Even voelde ik ergernis over die spijkerbroek en het feit dat hij me aansprak. Het zou wel weer een oude zeur zijn. De man duwde de brommer naar me toe. Het was een schitterende, oude Sparta.

"Mag je hier over de dijk brommen? Kunt u mij dat vertellen", riep de man, al duwend. Hij bleef voor mij staan. 
"Nou, eigenlijk niet, he. Brommers horen tegenwoordig op de rijbaan", zei ik. 
"Ja, dat meende ik al." Zijn stem klonk wat vermoeid en teleurgesteld. "Ik meende het al, maar ik wist het niet zo precies meer." 
"Nu, zo is het." 
We keken allebei wat om ons heen. Mijn ergernis zakte snel weg. Hij had een zacht, wat droevig gezicht, met talloze scherpe adertjes door zijn huid geweven. Aan zijn neus hing een heldere druppel.

"Het is zo mooi, op de dijk."
Ik knikte. 
"Maar beneden op de rijbaan hebt u mooi zicht op Waterland, op de natte weides." 
"Bovenop is het mooier. Dan kun je ook over het meer kijken." 
"Natuurlijk... Wat een schitterende brommer hebt u." 
"Die heb ik al in 1969 gekocht." 
"Dan hebt u daar heel goed op gepast." 
"Ja, ik ben altijd automonteur geweest. Bij de Ford. Allemaal Fords, deed ik." 
"Vandaar dat uw brommer nog zo mooi en goed is..." 
"Dus het mag niet. Ja, ik weet het soms niet meer. Ik vergeet zoveel, tegenwoordig. Dat is zo erg, hè. Als je het niet altijd meer weet. Soms moet ik er om huilen." 
Zijn ogen dreven over de dijk. 
"Ach", zei ik, "dat is heel spijtig. Kunt u zich nog wel goed redden?" 
"Ja, dat schakelen en zo, dat gaat nog wel."

Het viel even stil. De druppel die aan zijn neus hing viel op de benzinetank. 
"Ik heb hier altijd veel gereden. Het is zo mooi." 
"Woont u in Noord?" 
"Ja", zei hij en keek onwillekeurig even achter zich. 
"Weet u wat. Het is een mooie, rustige, doordeweekse middag. Er is hier geen mens. U gaat toch gewoon lekker met de brommer over de dijk." 
"Ja, zal ik dat maar doen?" 
"Natuurlijk, geniet ervan." 
"Ik doe het gewoon maar, hè." 
Zijn gezicht plooide zachtjes. Hij startte de brommer weer, zette de helm op en groette. Heel lichtjes gaf hij gas. De beentjes in de smalle spijkerbroek bungelden langs de brommer. Met zijn tenen zette hij zich steeds weer even zachtjes af op de weg, alsof hij tegen de wereld wilde zeggen dat hij niet echt bromde, daar bovenop de dijk.